Home » Dieren » Vogels » Zangvogels » vinken

Vinken

De meeste vinken komen voornamelijk voor in bossen, waar ze in bomen leven. Veel soorten hebben zich echter aangepast aan een leven buiten de bossen. De nesten van vinken zijn doorgaans komvormig en stevig.

De familie van de vinken is onderverdeeld in twee onderfamilies, de edelvinken  en de distelvinken.

De onderfamilie van de edelvinken bestaat uit slechts drie soorten: de vink, de keep en de blauwe vink.

De familie van Vinken bestaat wereldwijd uit 115 soorten


Groenling           

Orde:                          Zangvogels 

Familie:                      Vinken

Lengte:                       14 tot 16 cm

Aantal broedparen:     Ongeveer 100.000

Toename of afname:   Sterke toename

Kenmerken

Het verenkleed van het mannetje is groen. Er is een gele vleugelrand aanwezig. De staartzijden zijn geel van kleur. Het vrouwtje is minder fel gekleurd dan het mannetje

Omschrijving

De bouw van de groenling is nagenoeg gelijk aan die van de vink, maar door het groene verenkleed van met name met het mannetje is de groenling onmiskenbaar. In de winter bevinden zich nog bruine randjes aan de veren, zodat het groene verenkleed 's winters minder opvallend is. Gedurende de winter slijten de randjes van de veren, zodat in het voorjaar het zomerkleed weer zichtbaar wordt. De groenling is behalve aan de kleur ook goed te herkennen aan de typerende zang, die regelmatig in een zangvlucht voorgedragen wordt. Door de groengele vleugelranden en de gele staartzijden is de vogel ook in de vlucht goed te herkennen.

In de winter trekt een deel van de populatie weg, maar tegelijk overwinteren vogels uit het noorden in Nederland, zodat het aantal vogels min of meer constant blijft.


Vink

Orde :                       Zangvogels 

Familie :                    Vinken 

Lengte :                    14 tot 16 cm

Aantal broedparen :  600.000 tot 700.000

Toename of afname : Lichte toename

Kenmerken

Het mannetje heeft een bruine rug
De onderzijde van het mannetje is rozebruin van kleur
De kruin en het achterhoofd van het mannetje zijn blauwgrijs
De stuit van het mannetje is enigszins groen
De bovenzijde van het vrouwtje is grijsgroen van kleur
De onderzijde van het vrouwtje is vaalwit
Op de vleugels van beide geslachten bevinden zich twee witte vleugelstrepen.

Omschrijving

Door de opvallende kleuren is het mannetje van de vink makkelijk te herkennen. Met name de blauwgrijze kop met de roodbruine wangen maakt de vogel onmiskenbaar. In de winter is de kop minder duidelijk getekend doordat de grijze veren dan een bruin randje hebben. In de loop van de winter en in het voorjaar slijten de bruine randjes van de veren zodat het onderliggende blauwgrijs weer goed zichtbaar wordt. Het vrouwtje is minder opvallend gekleurd dan het mannetje, maar de twee witte vleugelstrepen op beide vleugels zijn ook bij het vrouwtje aanwezig.

De zang van het mannetje is veelvuldig te horen en makkelijk te herkennen. De zang is gedeeltelijk aangeboren, maar jonge mannetjes nemen ook de zang van andere mannetjes over. Hierdoor verschilt de zang per gebied en is aan de zang de herkomst van de vogel te bepalen. In het voorjaar kan het mannetje zijn zang dagelijks wel enkele duizenden keren herhalen.

De vink heeft een grote, krachtige snavel die typerend is voor zaadeters. Vinken eten in de zomer echter veel insecten en ook de jongen krijgen eerst alleen insecten te eten. In de winter trekken de Nederlandse vinken naar het zuiden, terwijl vogels uit het noorden in Nederland overwinteren. De vogel is 's winters vaak in kleine groepen te zien en eet dan bijna alleen maar zaden.


Sijs

Orde :                      Zangvogels 

Familie :                  Vinken 

Lengte :                   11 tot 13 cm

Aantal broedparen : Ongeveer 1.000,

maar variabel

Toename of afname : Lichte afname

Kenmerken

Het verenkleed is geel-groen van kleur
De kruin van het mannetje is zwart
Er is een kleine, zwarte keelvlek aanwezig
Het vrouwtje is minder helder gekleurd, maar wel krachtiger gestreept

Omschrijving

De sijs heeft een grijs verenkleed met donkere strepen en enkele gele gebieden. Het vrouwtje heeft minder geel in het verenkleed dan het mannetje, maar de strepen zijn beter zichtbaar. De sijs komt met name voor in naaldbossen, waar de vogel zijn nest hoog in een boom bouwt. De zang van de sijs is een voortdurend kwetteren en wordt voorgedragen vanaf een zangpost of in de vlucht.

Enkele decennia geleden was de sijs als broedvogel nog zeldzaam in Nederland. Tegenwoordig broeden jaarlijks enkele duizenden sijzen in Nederland. Veel vogels uit Scandinavië en Rusland overwinteren in Nederland, waardoor de vogel 's winters in veel grotere aantallen aanwezig is. In de winter komt de sijs ook meer buiten naaldbossen voor. De vogel eet voornamelijk zaden en hangt daarbij vaak behendig aan het uiteinde van een dunne tak.


Putter

Orde :                      Zangvogels 

Familie :                  Vinken 

Lengte :                   12 tot 14 cm

Aantal broedparen : Ruim 30.000

Toename of afname : Sterke toename

Kenmerken

De rug is bruin van kleur
De buik is gedeeltelijk wit en gedeeltelijk bruin van kleur
Het gezicht is rood, omgeven door een brede witte rand
De nek is zwart van kleur
Over de vleugel loopt een brede gele streep

omschrijving

De putter is door de bont gekleurde kop van zowel het mannetje als het vrouwtje een onmiskenbare vogel die met geen enkele andere vogel te verwarren is. In de vlucht valt vooral de brede, gele vleugelstreep over de verder zwarte vleugel op. Ook de zang van de putter is duidelijk herkenbaar en bestaat uit een snelle opeenvolging van korte, gevarieerde tonen. De putter laat de zang vooral in de vlucht te horen.

Buiten de broedtijd wordt de putter vaak in groepjes gezien in de buurt van distels. Om deze reden wordt de putter ook wel distelvink genoemd. De snavel van de putter is lang voor een vinkachtige, zodat de vogel makkelijk bij de zaden van distels en klissen kan komen, hierbij hangt de putter vaak ondersteboven.